
Over exact een week breekt de eerste zaterdag van juli aan. Een dag waar velen naar uitkijken, omdat de zomervakantie weer wat dichterbij komt, de plaatselijke kermis begint of gewoon omdat het eindelijk weer weekend is. Maar voor iedere wielerliefhebber staat deze dag bovenal in het teken van de start van ’s werelds grootse koers: de Tour de France.
Na maanden van voorpret hebben we eindelijk weer een “legitieme” reden om ons als ware kluizenaars af te zonderen in een privékamertje. We laten de boel de boel en met enkel een tv tot onze beschikking volgen we hoe onze helden op heroïsche wijze de meest afschrikwekkende cols bedwingen. Naarmate het cijfertje linksboven in beeld steeds dichter bij de 0 komt gaan onze harten sneller kloppen. En toiletteren? Dat doen we slechts bij hoge uitzondering. Als de nood te hoog wordt op een spannend moment dan laten we het gewoon lopen, zoals het een echte wielrenner betaamd. Tja, ik moet toegeven dat het in mijn Tourkamertje na anderhalve week koers meestal ook geen “rozengeur en maneschijn” meer is. Enfin, ik zal u de details besparen.
Toch sluit ik niet uit dat de buren dit jaar pas over stankoverlast zullen gaan klagen als het Tourcircus de Alpen al heeft doorkruist. Ten eerste kent de Tour dit jaar namelijk niet drie maar slechts twee Alpenetappes. Weliswaar heeft de ASO ook dit jaar 6 bergetappes gepland, maar om te vieren dat het precies honderd jaar geleden is dat de Pyreneeën voor het eerst in de Tour werd opgenomen trekt de karavaan dit jaar een dagje langer door deze ruige en robuuste bergketen. Ten tweede heb ik mijn Tourkamertje pas geboekt vanaf maandag 5 juli. Want zoals u ongetwijfeld weet gaat la Grande Boucle eindelijk weer eens van start in Nederland en als wielerfanaat meen ik daar natuurlijk bij te moeten zijn. Ene Mart S. mag dan wel roepen dat de Tour op niemand wacht, maar ik wil het risico niet nemen dat de renners niet van start gaan zonder mij.
Nadat le Grand Départ eerder al eens door Amsterdam (1954), Scheveningen (1973) en Den Bosch (1996) werd georganiseerd is het dit jaar dus de beurt aan de grootste havenstad van Europa om het startsein van de ronde van Frankrijk te geven. In een proloog van bijna 9 kilometer worden de renners onder meer over de Erasmusbrug geleidt. Nou ja proloog, volgens het peloton van Tourvolgers dat zichzelf kenner noemt dient deze rit als tijdrit bestempeld te worden omdat de afstand ervan langer is dan 8 kilometer.

Toen ik laatst aan een vriend vroeg of hij interesse had om me te vergezellen tijdens deze openingstijdrit antwoordde hij kort maar krachtig: “waarom zou ik?”. Zijn reactie zette me aan het denken. Wat maakt de Tour nu zo interessant? Na enige tijd ontdekte ik dat het mij eigenlijk helemaal niet uitmaakt welke renner wint. Ik heb geen favoriete renner en mag me al zeker geen fan noemen van een specifieke coureur. Het zal me ook een rotzorg zijn voor welk team de winnaar rijdt, welke cols bedongen moeten worden of hoe schaars de rondemissen gekleed zijn. Die Franse kastelen interesseren me evenmin. Voor mij zien ze er allemaal hetzelfde uit.
Nee, het gaat mij maar om één ding: emotie! Aan de ene kant zorgt de Tour altijd voor emotie in de koers. Winnaars met tranen van geluk en verliezers met losse handjes. Wie herinnert zich niet de zege van Heinrich Haussler in de etappe over de Platzerwasel respectievelijk het handgemeen tussen Jeroen Blijlevens en Bobby Julich op de Champs-Élysées? Aan de andere kant roept de Tour bij mij persoonlijk emoties op.
Dit behoeft enige uitleg. Ik heb namelijk een zeldzame aandoening: ik ben besmet met zowel het wieler- als het spelletjesvirus. Daardoor kan ik als een ware hooligan tekeergaan voor mijn tv. Ik moedig de renners die ik in mijn tourpoule heb gespeeld altijd zo hard aan dat Carglass een aantal jaren geleden spontaan een vestiging opende op een steenworp afstand van mijn Tourkamertje, zodat zij direct alle gesprongen ruiten konden repareren. Bovendien roep ik niet zelden hogere machten aan om de coureurs die ik niet heb opgesteld een lekke band, of beter nog een enkeltje ravijn, te bezorgen. Didi Senft is een lief en zacht knuffeltje in vergelijking met de duivel die ik in juli ben.
Maar goed, tourpoules dus. Elk jaar weer ben ik er heilig van overtuigd dat ik de grootste Tourkenner ben. Ik vraag me telkens weer af of het eigenlijk niet raar is dat al die spellen nog gespeeld moeten worden, want niemand zal er toch over twijfelen dat ik er met de hoofdprijs vandoor zal gaan?
Tegenwoordig stel ik me die vraag steeds minder vaak. Niet omdat ik getransformeerd ben van een optimist tot een realist, maar omdat steeds meer spelorganisatoren het zogenoemde slagzinnenconcept gaan hanteren. Grofweg gezegd betekent dit dat de prijzen uiteindelijk niet ten goede komen aan de deelnemers die de poule het beste hebben ingevuld, maar aan de deelnemers die de beste slagzin invullen. Weg emotie!
Het mag duidelijk zijn dat ik mij als echte kenner gedupeerd voel. Ik heb dan ook serieus overwogen om me niet meer in te schrijven voor dergelijke spellen. Toch zal ik me dit jaar bij uitzondering meedoen aan één slagzinnenspel. Ik heb alvast een slagzin verzonnen.
Het slagzinnenconcept is iets waarover je veel liefhebbers hoort klagen en zorgt ervoor dat de ene na de andere trouwe deelnemer verdwijnt, vanaf volgend jaar pas ook ik ervoor om me aan flauwe rijmpjes te wagen, steek die prijzenpot maar ergens waar de zon niet schijnt!
Ik ben benieuwd of deze slagzin me de hoofdprijs oplevert. Er blijkt in ieder geval voldoende emotie uit...
Bram Jansen